HABITATSTUDIE - ONDERZOEK RADIOTELEMETRIE UIT 2004
HABITATSTUDIE - ONDERZOEK RADIOTELEMETRIE (resultaat van 2003 en 2004)
De zender is 24 mm hoog, 10 mm breed en weegt slechts 4.7 gram. Foto Erik Visser.
De zender op de staart
is 24 mm hoog, 10 mm breed
en weegt slechts 4.7 gram.
Foto Erik Visser.
Eén van de grote vragen die we onszelf vanaf het prille begin hebben gesteld is hoe onze Grauwe Kiekendieven het in een intensief gebruikt cultuurlandschap kunnen redden. We zijn met zijn allen goed in staat om nesten te beschermen tijdens oogstwerkzaamheden, maar zonder een optimaal ingericht landschap is dit een methode waar je het simpelweg niet mee redt. Zo zijn er in het recente verleden diverse voorbeelden van (deel)populatie's die plotseling in het niets verdwenen (denk aan de opvallend snelle terugval in Nederland, de sterke afname in het Franse Lorraine (ondanks een uitmuntend georganiseerde nestbescherming) etc. etc.). Willen wij dit voorkomen dan moet er gezocht worden naar mogelijkheden om het agrarische cultuurlandschap weer een deel van haar ecologische grandeur terug te geven. Trouwe lezers van deze site weten dat wij het vooral zoeken in maatregelen als (meerjarige) natuurbraak, de juiste faunarand pakketten, een gewijzigd beheer van slootkanten, schouwpaden en wegbermen door de waterschappen, het benutten van de ecologische kwaliteiten van slaperdijken enzovoorts. Om dit verhaal echter rond te krijgen is het bittere noodzaak over goede gegevens te beschikken zodat we deze maatregelen op landschapsniveau kunnen uitvoeren. Het spreekt voor zich dat niet alleen kiekendieven, maar ook andere akkervogels van een verhoogde effectiviteit zouden kunnen profiteren! Gegevens verzamelen dus, kennis als basis voor het realiseren van een betere bescherming van de soort.

Resultaten van zenderwerk in 2003 en 2004

Door Arjen Pilon, student RuG (heeft in het veldseizoen van 2004 veldwerk met gezenderde mannetjes uitgevoerd).

In 2003 en 2004 werden vier mannetjes (twee in elk jaar) uitgerust met een radiozendertje van 4.7 gram, en werd hun gedrag vastgelegd door ze met een ontvanger en een auto te volgen. Door het gebruik van deze zenders konden we vaststellen dat drie van deze vier zendermannetjes elk twee nesten met succesvol uitgevlogen jongen onderhielden (2003: 3 en 1, 2004: 2x3 en 2x3 jongen). Bigamie dus, iets waar we met afstanden van 2.0, 1.2 en 5.0 km tussen de verschillende nesten waarschijnlijk nooit waren achtergekomen.
Het gedrag werd elke volle minuut vastgelegd, samen met de vegetatie (en maaistatus, indien van toepassing) waar het gedrag werd uitgevoerd. Tevens werden alle (succesvolle, onsuccesvolle en onbekende) pogingen om een prooi te vangen (bekend als stoten) genoteerd. Uit deze gegevens filterden we alle jaagminuten en stoten en verdeelden de verschillende vegetatietypen in categorieën. Zo konden we zien op welke vegetatietypen de vogel de meeste jaagtijd doorbracht.
De vegetatietypen zijn als volgt ingedeeld: Koolzaad, Graszaad, Set-aside land (braakland, faunaranden), Ruigte (randen van sloten en bossen, wegbermen, schouwpaden), Luzerne, Gras (weiland met en zonder vee, grasland, dijken), Graan (tarwe, gerst en haver) en Overige gewassen (suikerbieten, aardappels en maïs).

De totale geobserveerde tijd die de vier mannetjes jagend boven verschillende vegetatietypen hebben doorgebracht.
De totale geobserveerde tijd die de vier mannetjes jagend boven
verschillende vegetatietypen hebben doorgebracht.

De "Overige gewassen" zijn drie gewassen die niet vaak door de vogels bezocht werden, en van elk waren minder dan 100 jaagminuten beschikbaar. Tevens zijn geen van deze gewassen gemaaid of geoogst tijdens het veldseizoen. Ze zijn bij elkaar gegroepeerd voor data analyse. Uiteraard willen we weten waarom de Grauwe Kiekendief bepaalde vegetatietypen kiest om op te jagen, dus met de gegevens van de stoten die we hadden verzameld konden we drie dingen berekenen:
- Jachtopbrengst: het aantal gevangen prooien op een vegetatietype per uur jacht;
- Stootfrequentie: het aantal gemaakte stoten op een vegetatietype per uur jacht;
- Stootsucces: het aantal succesvolle stoten in verhouding tot het totale aantal bekende stoten op een vegetatietype.
De jachtopbrengst is eigenlijk wat het belangrijkste is voor de vogels, want de opbrengst is de variabele die daadwerkelijk zegt hoeveel de vogel vangt. Bijvoorbeeld: de vogel kan een erg hoge stootfrequentie hebben op een bepaald vegetatietype, maar als al die stoten hun doel missen zal de vogel alleen maar moe en hongerig worden.

Het aantal stoten (stootfrequentie) en het aantal gevangen prooien per uur jacht (jachtopbrengst) per vegetatietype.
Het aantal stoten (stootfrequentie) en het aantal gevangen
prooien per uur jacht (jachtopbrengst) per vegetatietype.

De figuur laat zien dat koolzaad zorgt voor de hoogste jachtopbrengst, gevolgd door graszaad en set-aside, die grofweg gelijk zijn. Ruigte, luzerne en gras zijn ook nog vrij goede jachtgronden met iets meer dan vijf prooien per uur, gevolgd door graan en als laatste de overige gewassen (waaruit blijkt waarom ze in de eerste plaats een lage jaagtijd hebben). We stelden een significant effect vast van vegetatietype en datum op jachtopbrengst (waarbij later in het seizoen een hogere opbrengst behaald werd).
Verschillen in jachtopbrengst kunnen meerdere oorzaken hebben, het kan bijvoorbeeld komen door een groter prooiaanbod (meer prooien), of door een grotere prooi beschikbaarheid, zoals bijvoorbeeld in korte vegetatie in tegenstelling tot hoge of dichte vegetatie (een ruige faunarand).

Statistische analyse wijst ook uit dat datum en vegetatie een significant effect hebben op stootfrequentie. Het stootsucces verschilt niet veel tussen verschillende vegetatietypen, en een succesvolle stoot wordt gemiddeld 50,8% van de keren gemaakt (N = 713 bekende stoten). Noch datum noch vegetatie hebben een significant effect op dit stootsucces.

Stootsucces: het aantal succesvolle stoten in verhouding tot het totale aantal bekende stoten op een vegetatietype. De getallen geven het totaal aantal bekende stoten per vegetatietype weer. Gemiddeld is 50.8% van de stoten succesvol.
Stootsucces: het aantal succesvolle stoten in verhouding tot het
totale aantal bekende stoten op een vegetatietype. De getallen
geven het totaal aantal bekende stoten per vegetatietype weer.
Gemiddeld is 50.8% van de stoten succesvol.

Als we kijken naar de figuren, rijst de vraag waarom koolzaad zo'n goede jachtopbrengst levert als er zo weinig jaagminuten zijn geobserveerd. Het antwoord ligt in de aard van de gegevens, want een groot deel van die minuten waarop de vogel boven koolzaad jaagde, was het koolzaad of pas gemaaid of gereduceerd tot een korte stoppel na het oogsten aan het eind van het seizoen. Aangezien koolzaad maar één keer per jaar geoogst kan worden, kan de vogel niet afhankelijk zijn van vers gemaaid koolzaad voor zijn voedseltoevoer.

Om het effect van maaien te onderzoeken noteerden we verschillende stadia van het maaien van vegetatie terwijl we de vogel in het veld bestudeerden. Toen we de gegevens gingen analyseren, hebben we de maaistatus onderverdeeld in drie categorieën:
- Ongemaaid: de vegetatie is niet gemaaid.
- Recent gemaaid: de vegetatie is 0-2 dagen geleden gemaaid.
- Oud gemaaid: de vegetatie is 3 of meer dagen geleden gemaaid.

Als we niet precies wisten wanneer een veld was gemaaid, probeerden we te schatten of het recent of oud gemaaid was. Daarna gingen we weer rekenen, en ontdekten dat zowel opbrengst als stootfrequentie significant beïnvloed werden door vegetatietype en maaistatus, maar niet door datum (in tegenstelling tot eerdere resultaten), terwijl stootsucces significant beïvloed werd door maaistatus en datum, maar niet door vegetatie. Tevens waren zowel recent- als oud gemaaide percelen beter dan ongemaaide percelen.

'Zenderstudent' Marlien met yaggi-antenne in 2003 op zoek naar een man. Foto Hans Hut.
'Zenderstudent' Marlien met yaggi-antenne
in 2003 op zoek naar een man.
Foto Hans Hut.
'Zenderstudent' Arjen met yaggi-antenne in 2004 ook op zoek naar een man. Foto Reint Jacob Schut.
'Zenderstudent' Arjen met yaggi-antenne
in 2004 ook op zoek naar een man.
Foto Reint Jacob Schut.

Wat kunnen we hiervan leren? Dat het type vegetatie een groot effect heeft op de jachtopbrengst, waarbij vooral de grasachtige vegetaties (graszaad, ruigte, set-aside en gras) de voorkeur hebben, en dat koolzaad en luzerne vooral gebruikt worden wanneer deze gemaaid zijn of kaal zijn na de oogst. Tevens leek datum een flink effect te hebben op jachtopbrengst, maar toen maaistatus in het model geplaatst werd verdween dit effect ten behoeve van de nieuwe verklaring.

Hoewel jachtopbrengst een interessant gegeven is om te beschouwen in relatie tot de verschillende vegetatietypen en maaistatus, zal een vogelsoort zich niet laten lokken door een enkele rake klap, maar zal het gedurende het hele seizoen een voedselaanbod nodig hebben. Het maaien van percelen kan zo nu en dan een prettige bonus zijn maar het is te onvoorspelbaar en te onregelmatig om een bestaan op te baseren, laat staan om er voor de voortplanting van af te hangen. Dus als we kijken naar hoeveel elk vegetatietype daadwerkelijk bijdraagt aan de totale hoeveelheid gevangen prooien zien we dat die figuur veel meer lijkt op de jaagtijd in verschillende vegetatietypen dan op de jachtopbrengst in verschillende vegetatietypen.

Totaal aantal gevangen prooien van de vier geobserveerde mannetjes op de verschillende vegetatietypen.
Totaal aantal gevangen prooien van de vier geobserveerde mannetjes
op de verschillende vegetatietypen.

En ook al zijn er goede dagen wanneer een perceel dichtbij gemaaid wordt en er een schare verse prooien blootgesteld wordt, de hoofdmoot van het voedsel dat de mannetjes helpt hun jongen groot te brengen komt van set-aside land en andere grasachtige vegetaties, alsmede graan, dat nog steeds het grootste deel van de landbouwgronden in oost Groningen bedekt.

versie 2.01 15-02-2005